DE WRAAK VAN NOACH Het is heet en vochtig, deze eerste zondagochtend na de verboden geboorte. In processie schuifelen bezwete Noachanen door de met zaden bezaaide straten van het dorp. De aarde ademt bladluizen die opstijgen, dichter en dichter samenpakken en heel het uitspansel dichtplakken tot de verre top van de Ararat niets meer prijsgeeft dan een vreemd, ijl wolvengehuil. De zondige vader en zijn twee oudste dochters dragen de drie witte nagels boven hun natte hoofden. De zondige moeder met de zwarte hamer sluit de stoet met de pijn nog in haar schoot. Blauwzwarte neushoorns bevolken de lucht nu en bulderen in afrodisiaanse geldingsdrang, ze stoten met hun horens tot een overvloed aan zebra's in zware striemen neerklatert over het dal. Bange gelovigen bezweren het weer met hun gebeden en schrijden te langzaam voort naar de tempel, waarin het derde kind eenzaam en krijsend op verlossing wacht op het offerdek van de ark. Witte cobra's dalen sissend neer uit de hemel en zetten hun kaken in de daken, ze geselen voortdurend de mast van de tempel en bijten in de bomen die in duizenden kanaries uiteensplijten. Kevers kruipen langs ramen naar beneden, muizen springen omhoog uit aanzwellende poelen, en vertwijfeld strompelen de dorpelingen voort over zeehonden en pijlstaarten. Vanaf de berghellingen glijden salamanders en hagedissen omlaag, vermeerderen zich drievoudig en groeien. Onophoudelijk stromen leguanen en varanen naar het dal van de Noachanen. Het is de dag van het offer van het derde kind, en nog zwaarder dan de hamer draagt de moeder een geheim in haar hart. Zij allen zullen de ark nooit bereiken en zij alleen weet waarom. Aardebruine krokodillen verzwelgen het vervloekte dorp en ook het derde meisje vindt een graf onder hun huid, maar hoog op de donkere berg zal haar tweelingbroer leren huilen met de wolven. |