TWEEDEHANDS LUCHT
De kelder bukt onder de druk
van het huis, gapend intact
onder nooit gevallen bommen.
Leeggegeten schappen hongeren
als wormen naar onderbelicht,
oneindig houdbaar voedsel.
Tussen nauwelijks muren, koud
en bleek als doorweekte voeten,
houd je vijftig jaar je adem in.
REEDS BEGANE GROND
De bruidsjurk uit jaren
van blauwgrijze adem hangt verknipt
voor het vuile, verziende venster.
Door het rookkanaal omlaag
waait de kanker, uitgezaaid
roet op rottend hout.
Je hebt de deur niet dichtgedaan.
Je hebt je voeten niet geveegd,
alsof niemand je beschuldigt.
EEN KAMER IN SLAAP
De trap verzacht je pas, dwingt je hart
zich aan te passen van naoorlogse
liefde naar een lang ziekbed.
In het bejaard behang dat slaapt
als vuile was, leggen gele vlekken
vingers op lekke leidingen.
Aan de muur draait een touw
in huidresten van houvast, in dromen
van hulp of ontwaken in het licht.
BEWOONBAAR VERKLAARD
Het grijs hangt omlaag van het dak
in een haast stofvrije, demente ruimte,
een spinnenkerkhof zonder lijken.
Herinneringen aan herinneringen
werden als engelenhaar al weggeplukt.
Niemand hoefde hier nog te komen.
Je vindt nog wat planken,
een in gedachten ingemetseld kind
en zeven reserve, eeuwig handige dakpannen.
MIJN DRIEHOEK, ONZE RECHTHOEK
De randen van het kleed
waarop we onze liefde morsten
waren rafelig als de stem
die wegzonk in het donker.
Maar hier mocht ik liggen,
in een roes met jou minuten roven,
mijn rug in het roze, gulzige zout.
Al was het glas geweest.
Al wat ik hoorde was
het die nacht zo genadige kwarts,
de diamant die rondjes ruis bleef slijpen,
jouw adem, het slapen van de hond.
|