Artikel Elsevier, 27 november 1999

Kreupele kansen

Rammelend wetenschappelijk onderzoek maakt van dure paarden slachtvee. Dreigend tumult over de gevolgen van een gebrekkig botje.
Door Theo Toebosch.

De kans dat Patrick Kluivert dood gaat is honderd procent. Toch heeft Barcelona hem van AC Milan gekocht, stelt Van Gaal zijn sterspeler nog steeds regelmatig op, heeft de verzekering er geen aanleiding in gezien om hem niet te verzekeren en heeft de KNVB hem niet gevraagd om af te zien van nageslacht. De reden is simpel, bij zo'n soort kansberekening is het minstens zo belangrijk om te weten binnen welke tijd er onheil valt te verwachten. Onderzoeken naar de levensverwachting van kapitaallwachtigen in de westerse wereld stellen de betrokkenen gerust: als Kluivert niet te gek met auto's doet moet hij minimaal de 33, dus het einde van een doorsnee voetbalcarriere kunnen halen.

In de Nederlandse paarden(sport)wereld gaat het er anders aan toe. Daar worden paarden als ze afwijkingen aan een botje in hun been hebben, onverzekerbaar en onverkoopbaar en mag er niet met ze worden gefokt. En dat allemaal omdat een Utrechtse hoogleraar radiologie ooit heeft gezegd dat een slecht uitziend botje zou wijzen op een verhoogde kans op kreupelheid.

'Hier gaat het om,' zegt Ebert Warmerdam, dierenarts en radioloog in Noordwijkerhout. Hij legt een opengesneden paardenbeen neer. Het is een voorbeen. Aan de achterkant, binnen de hoef, zit een botje, het straalbeen, waarover een lange pees loopt. Het botje vangt de schokken op bij het lopen. Als een paard een aandoening aan het botje heeft en pijn krijgt, gaat het kreupel lopen.

Warmerdams leermeester, professor Kees Dik, verbonden aan de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht, en volgens Warmerdam een 'uitstekend radioloog', heeft de gesteldheid van het straalbeen in vijf klassen (0 t/m 4) ingedeeld. Klasse 0 geldt als perfect en klasse 4 als slecht. Sinds 1978, toen hij een artikel in het Tijdschrift voor Diergeneeskunde publiceerde, kijkt Dik of de gesteldheid van een botje ook iets zegt over de kans op kreupelheid. Zijn bevindingen: een paard met een straalbeen klasse 3 heeft ruim 70 procent kans om kreupel te worden en een paard met klasse 4 zelfs 95 procent. Hij geeft niet aan binnen welke tijdspanne een paard kreupel wordt. De eerste fout, die het onderzoek al vrijwel zinloos maakt.

Maar Dik maakt nog meer fouten. Hij neemt twee groepen paarden: gezonde, driejarige hengsten, en een ratjetoe van paarden (hengsten, ruinen, merries, drie- tot twintigjarigen) die al kreupel zijn. Vervolgens deelt hij de paarden aan de hand van de gesteldheid van hun straalbenen in klassen in en telt hoeveel er per klasse in de twee groepen voorkomen. Daarna berekent hij het kreupelheidsrisico met het volgende sommetje (zie kader): percentage kreupele paarden / (percentage kreupele + normale paarden) = het kreupelheidsrisico.

Dr. Guus Balkema, wiskundige en stochasticus aan de UvA, vindt dit een klassiek geval van foutieve kansberekening. 'Alsof je een groep kleuters en een groep bejaarden neemt en op grond van die groep bejaarden gaat voorspellen hoe oud die kleuters gaan worden.'

De uitkomst had Dik aan het denken moeten zetten: zelfs de paarden met de beste botjes hebben een kans van 1 op 5 om kreupel te worden. Zo blijven er weinig paarden over die door iets anders kreupel kunnen worden. Wat Dik per klasse heeft berekend, is de kans op een paard dat al kreupel is, als je een paard uit een van de twee door hem zelf samengestelde groepen 'trekt'.

Dik heeft niet alleen appels met peren vergeleken en formules gebruikt die hij niet begrijpt, hij heeft ook nog gekeken welke paarden in de sport beter presteren. En ja hoor, de paarden met een straalbeen klasse 0-2 doen het beter dan hun zwakke broeders die in klasse 3 zijn ingedeeld. Warmerdam bezit de lijst op basis waarvan dit is berekend. 'Dik heeft paarden meegerekend die nog geen zeven jaar zijn en nog niet in (internationale) wedstrijden zijn uitgekomen en dus nog niet gepresteerd kunnen hebben. Toevallig zitten in die categorie meer paarden met een straalbeen klasse 3. Als ik deze paarden weglaat, scoren paarden uit klasse 3 beter dan uit klasse 0-2, maar ook hieraan mag je geen conclusies verbinden.'

De goede reputatie van Dik heeft ervoor gezorgd dat de resultaten van het onderzoek klakkeloos zijn overgenomen in handboeken als De Keuring van het Paard, De Veterinaire Keuring van het Paarden Gerechtelijke Diergeneeskunde. Met de nodige gevolgen. Dierenartsen in opleiding leren dat paarden uit de klassen 3 en 4 vrijwel zeker kreupel worden. Verzekeraars hanteren de berekeningen om te bepalen of ze een paard wel of niet verzekeren. Het kan hierdoor gebeuren dat een paard dat het ene moment nog een paar ton waard is, het volgende moment alleen nog maar de slachtprijs opbrengt: 2,5 gulden per kilo.

Het grootste stamboek van Nederland, het KWPN (Koninklijk Warmbloedpaarden Stanboek Nederland), sluit paarden met klasse 3 en 4, ook de paarden die zich in de spring- en dressuursport hebben bewezen, uit van de fokkerij. Ook hier is geld in het geding: een zeer gewilde dekhengst, die per jaar driehonderd dekkingen kan halen, levert zijn eigenaar duizend tot vijftienhonderd gulden per dekking op. Fokkers die op tijd willen weten waar ze aan toe zijn, laten daarom al op jonge leeftijd, vóór de eerste officiële keuringen, röntgenfoto's van minstens zevenhonderd gulden per onderzoek van hun paarden maken - onder andere in Utrecht bij de faculteit Diergeneeskunde.

Over de klasse-indelingen wordt ook menig juridisch dispuut gevoerd, bijvoorbeeld als de keuringsdierenarts van de verzekering een paard in een slechtere klasse indeelt dan de dierenarts die bij de koop/verkoop betrokken was. Dik is in die zaken regelmatig getuige-deskundige.

Warmerdam heeft Dik en anderen betrokkenen - onder andere via een artikel in het orgaan van het KWPN (geschreven met twee coauteurs) ~ proberen duidelijk te maken dat het onderzoek niet klopt. Het heeft niet geholpen. Niemand wil eraan.

Martin Malawauw, hoofd paardenverzekeringen van Amev: 'Een driejarig paard met een straalbeen klasse 3 dat de sport ingaat, verzekeren we niet. Klasse 4 is rijp voor het slachthuis. Onze eigen cijfers van kreupel geworden paarden bevestigen Diks bevindingen, maar die geven we niet.' Warmerdam heeft ze eerder wel gekregen, inclusief de volgende korte toelichting van Malawauw: 'Ik vraag me af of u met dit staatje uit de voeten kan, gezien het aantal schaden die onder overige kreupelheid staan genoteerd.'

Professor Ab Barneveld, hoofd van de aideling Gezondheidszorg Paard aan de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht: 'In Gerechtelijke Diergeneeskunde verwijs ik slechts naar Dik. Ik zeg het dus niet zelf. Zolang we niets beters hebben, moeten we het hiermee doen. Dat anderen er een dogma van maken, zoals verzekeraars die klasse 4 als rijp voor het slachthuis bestempelen, kan ik niet helpen. Maar waar wilt u leven: in het land waar ze veertig worden of waar ze tachtig worden? Die wiskundige zal voor zijn dochter denk ik ook niet een paard met een straalbeen klasse 4 kopen.'

Mr. L. M. Schelstraete, advocaat gespecialiseerd in hippische zaken: 'Ik kan er niet zoveel mee dat die percentages niet kloppen. Ik wil mijn zaken winnen, en in plaats van de rechter lastig te vallen met percentages kan ik hem beter duidelijk maken dat die hele klasse-indeling aan de hand van röntgenfoto's een schimmig gebeuren is.'

Johan Knaap, hoofd fokkerijraad van het KWPN: 'Niemand zal ontkennen dat een straalbeen klasse 1 en 2 beter is dan klasse 3 en 4. Ons hoofddoel is zoveel mogelijk gezonde paarden te fokken. De kwaliteit van het straalbeen is erfelijk. Daarom fokken we de laatste jaren alleen met klasse 1 en 2. Het onderzoek van Dik is niet ideaal, maar zolang er niets beters is, moeten we roeien met de riemen die we hebben.'

Professor Kees Dik zelf: 'Het kan best zijn dat mijn onderzoek wiskundig gezien rammelt. Ik heb gekeken of een bepaalde klasse wijst op een verhoogd risico. Mensen willen dan ook kansen horen, daarom ga je een beetje met die getallen spelen. Het vervelende is dat andere mensen die getallen letterlijk gaan nemen. Het gaat om de tendens en die is er, dat blijkt ook uit andere (buitenlandse) onderzoeken en dat bevestigen onze statistici zoals Jan van den Broek.'

Jan van den Broek van het Centrum voor Biostatistiek van de Universiteit Utrecht: Ik heb meegewerkt aan een onderzoek naar de erfelijkheid van de klasse. Die lijkt er te zijn. Aan het onderzoek naar het kreupelheidsrisico heb ik niet meegewerkt. Daarvan kan je hoogstens zeggen dat klasse 3 en 4 wijzen op een verhoogd risico. Maar dan spreek je over relatieve risico’s. Het zegt niks over de kans dat een paard kreupel wordt.'

Ongecijferdheid bestaat dus nog steeds in Nederland - leuke boekjes als Ongecijferdheid, de gevolgen van wiskundige ongeletterdheid van John Allen Paulos ten spijt. Warmerdam weet hoe het onderzoek naar het kreupelheidsrisico wel gedaan zou moeten worden. 'Een groep jonge paarden in klassen indelen, langere tijd volgen en dan kijken of, wanneer en waarom ze eventueel kreupel worden.' Dat kost tijd, geld en veel inspanning, maar dan krijg je wel een wetenschappelijk verantwoord resultaat.

Ondertussen wil of durft geen van de betrokkenen toe (te) geven dat er fouten zijn gemaakt en daar conclusies aan te verbinden. Zou het helpen als een gedupeerde paardeneigenaar een van de betrokkenen aansprakelijk stelt wegens verwijtbare nalatigheid?

Figuur: Berekening kreupelheidsrisico door Kees Dik

[index]


E-mail: lijssel@IAEhv.nl